Pas maar op voor de settings

“Hallo, spreek ik met de belastingtelefoon?” zei VanDongelen met overslaande stem toen hij het nummer had ingetoetst. Hij hield zijn smartphone gespannen tegen zijn oor geklemd.

“Om u beter van dienst te kunnen zijn geven wij u de volgende mogelijkheden. Wij maken u er op attent dat dit gesprek voor trainingsdoeleinden kan worden opgenomen…”

“Jaja…vooruit…” VanDongelen trommelde met zijn vingers op tafel.

“Voor wijzigingsformulieren toets 1…Voor een medewerker toets 2…”

VanDongelen toetste 2.

“Goedendag. U spreekt met Kampferfoulie. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

“Hallo…goedemorgen. Ik ben VanDongelen. Mijn computer is stuk.”

Het was even stil. Toen schraapte Kampferfoulie zijn keel.

“Dat is heel spijtig mijnheer vanTongeren. Maar u spreekt met de belastingen, niet met Microsoft.”

“Mijn naam is VanDongelen,” sprak VanDongelen geïrriteerd. “ Maar u begrijpt het niet. Die computer bevatte mijn boekhouding. Alles weg. U begrijpt het wel. Het was Joris.”

“O,” zei Kampferfoulie niet begrijpend. “Uw computer heette Joris? “Dat is heel naar voor u, mijnheer vanTongelen.”

“Nee, man.” Er stonden nu kleine druppeltjes zweet op VanDongelens voorhoofd. “Joris is mijn zoon. Die is per ongeluk in de settings terecht gekomen.”

Het was weer even stil. Toen ging Kampferfoulie verder. ”Mijn zoon is gelukkig wél goed terecht gekomen. Niet in de settings dus. Hij doet nu een studie voor boekhouder bij de LOI. Was een aanbieding, je weet wel, met een gratis tablet enzo.”

VanDongelen liep inmiddels rood aan en onderdrukte nog net op tijd een oerkreet.

“Mijnheer. Ik bel u om raad. Ik ben ZZPer en mijn hele computer is uitgewist. De hele boekhouding is in digitale rook opgegaan. Rekeningen, bonnetjes. Alles weg. Joris wilde een nieuw antivirus programma installeren, maar dat ging mis.”

Kampferfoulie snoof. “Moeilijk. Moeilijk. Dan heeft u een probleem.”

“Wat zeur je nou man,” raasde VanDongelen. “Dat weet ik ook wel.” Hij verloor zijn geduld. “U bent zeker van gisteren, Kamperfooly?”

Dat schoot Kampferfoulie in het verkeerde keelgat.

“Mijnheer, u hoeft niet zo tekeer te gaan. Ik zit hier ook niet voor mijn plezier en ik wens op een fatsoenlijke manier te worden toegesproken. Wat denkt u wel? U bent niet de enige met een probleem. Als u uw toon niet een beetje verandert wens ik u niet langer te woord te staan.”

VanDongelen klemde zijn tanden op elkaar. Zijn hart klopte inmiddels in zijn keel.

Tel tot tien. Tel tot tien.

Toen hij zichzelf weer onder controle had ging hij verder en sprak met vlakke stem: “Wat moet ik doen nu mijn hele boekhouding verdwenen is.”

”U moet de boekhouding tot op zeven jaar terug aan ons kunnen laten zien. Anders kunnen wij u een boete opleggen, mijnheer Tongelmans.” Kampferfoulies stem was nu professioneel en afstandelijk. “U heeft toch wel back-ups gemaakt. Of heeft u misschien een adviseur die de boekhouding voor u regelt?”

“Nee, dat heb ik niet.” VanDongelen voelde zich moe en misselijk. Kon hij niet even op de bank gaan liggen? Hij concentreerde zich weer op het gesprek.

“Ik had een virus, eh…ik bedoel mijn computer had dat, en al mijn back-ups zijn kapot en een boekhouder is te duur.”

“Ja…dan heeft u inderdaad een probleem, mijnheer. De belastingdienst raadt iedereen aan om de gegevens op verschillende plaatsen te bewaren. U kunt uw probleem het beste schriftelijk voorleggen en…”

VanDongelen werd afgeleid. Joris was binnengekomen en stond aan zijn mouw te trekken.

“Een moment Mijnheer Kamperfooly…Mijn zoon wil wat zeggen.” VanDongelen bedekte zijn smartphone en keek vragend naar Joris.

“Ik ben aan de telefoon, Joris. Wat moet je nou?”

“Ik probeer je al de hele tijd te zeggen dat ik een nieuwe back up had gemaakt van je Hard Drive, voordat ik aan het werk ging. Doe ik altijd.” Joris hield triomfantelijk een externe harde schijf omhoog. “Ik probeerde je dat steeds te zeggen, maar je bent zo opgewonden en je wilt maar niet luisteren. Ik heb alles zo weer voor je geïnstalleerd. Over een uurtje is alles weer in orde en is je computer weer helemaal de oude.”

VanDongelen staarde in ongeloof naar zijn zoon en prevelde toen: “Je bent een goeie jongen. Een heel goeie jongen.”

Enthousiast bracht hij zijn smartphone weer bij zijn oor.

“Kamperfooly, of hoe je ook heten mag, ik wens je een gezegende dag. Alles is opgelost.”

“Oh”, zei Kampferfoulie. “Gelukkig maar, want onze boetes zijn niet voor de poes.”

“Nee,” zei VanDongelen, “dat zal wel niet, maar daar heb ik niets mee te maken, want Joris is niet van gisteren en die weet tenminste wat hij doet.”

“Jaja”, schamperde Kampferfoulie. “Dat zal wel. Pas toch maar op voor de settings.”

Maar VanDongelen hoorde het niet meer. Die had het gesprek al beëindigd.

 

,

Powered by WordPress. Designed by Woo Themes